De bal is boos

Voetbal en revolutie

Het verbond tussen de fans van Al-Ahly en Zamalek speelde het Egyptische regime uit elkaar. ‘De moskee, dat verhaal kennen we. Maar de impact van voetbal wordt onderschat.’

‘Voetbalfans hebben op het plein een belangrijker rol gespeeld dan andere politieke groeperingen’, zei de Egyptische blogger Alaa Abd El Fattah op Al Jazeera. ‘Misschien moeten we hun de macht maar geven.’ Grappig bedoeld, maar feit is dat voetbalfans de spil vormden van het straatprotest tegen Hosni Moebarak.

Toevallig is dat niet. Voor een straatprotest is een harde kern nodig. Mannen die niet bang zijn voor klappen, die durven te blijven staan, zodat anderen zich – achter hen, naast hen – aansluiten. In verschillende revoluties hebben voetbalfans vooraan gestaan, waren zij de eersten die optrokken naar het parlement, of speelde de supportersvereniging een centrale rol.

Op 15 november 1989 versloeg Roemenië Denemarken met 3-1. De Roemenen plaatsten zich voor het eerst sinds 1970 voor het WK voetbal. Dat was onverwacht, de Denen hadden aan een gelijkspel genoeg gehad. Dolenthousiast trokken de Roemenen de straat op. De opstoot van nationalisme en euforie werd het regime van Ceausescu fataal – het was de spreekwoordelijke lont in het al smeulende kruitvat. Op 25 december werd de dictator, na door het volk te zijn afgezet, neergeschoten.

Een ander voorbeeld is Slobodan Milosevic, die de kracht van supportersclans erkende en ze nadrukkelijk lieerde aan Servische hooligans. De gewezen dictator verzekerde zich eind jaren tachtig van de steun van de nationalistische fans van Rode Ster Belgrado, een noodzakelijke stap bij zijn greep naar de macht. Spilfiguur binnen die supporterskern was Zeljko Raznatovic, oftewel Arkan. Die vormde tijdens de Balkanoorlog de vroegere supportersclub om tot een paramilitair orgaan, de zogeheten Arkan Tijgers, die naar schatting tweeduizend doden op hun geweten hebben. Tien jaar later trokken de voetbalfans van andere clubs naar Belgrado om tijdens het protest tegen Milosevic vooraan te staan.

In Egypte namen de zogeheten ultra’s die rol op zich. Het zijn de fanatieke supporters, die leven voor hun club, goed georganiseerd, nergens bang voor. In Egypte staat ultra voor stoere mannetjesputters die het begrip voetbalfan een geheel eigen invulling hebben gegeven. Bovendien liggen de ultra’s precies in de demografische groep die het meest reden tot klagen had over het Egyptische regime: armoede, werkloosheid, geen uitzicht op een beter bestaan.

‘Westerlingen begrijpen onvoldoende hoe belangrijk voetbal is in het Midden-Oosten. Het spel is er waanzinnig populair, maar oké, dat is in Europa ook zo. Het verschil is: voetbal is ook politiek. Fan zijn van een club die de andere club hartgrondig haat, dat is een politiek statement’, vertelt de Amerikaanse oud-journalist James Dorsey. De voormalige buitenlandcorrespondent voor The Washington Timesen The Wall Street Journal houdt een blog bij met de veelzeggende titel The Turbulent World of Middel-East Soccer.’In een autoritair Arabisch regime bestaan er in feite twee uitlaatkleppen voor politieke frustratie, twee plekken waar je kunt tonen waar jij ideologisch staat: de moskee en het voetbalstadion. De moskee, dat verhaal kennen we. Maar de impact van voetbal wordt onderschat. Clubs en supportersverenigingen bezitten er reële macht. De val van Moebarak mag je bijvoorbeeld gerust koppelen aan het feit dat de ultra’s Ahlawy, de fans van de club Al-Ahly, zich massaal in het protest hebben gestort.’

Al-Ahly is de grootste voetbalclub van het land. De clubnaam betekent ‘de nationale’. Al-Ahly werd gestart in 1907 door studenten die protesteerden tegen de Britse kolonisatie. De clubkleuren zijn een verwijzing naar de Egyptische vlag ten tijde van het Ottomaanse rijk. De fans komen voornamelijk uit de maatschappelijke onderklasse.

De aartsvijand van Al-Ahly is stadgenoot Zamalek, die wordt gezien als de club van de burgerij en het leger. Zamalek is zelfs een tijd vernoemd geweest naar de gehate Egyptische koning Farouk en staat bekend als pro-westers en pro-Moebarak. Toen de opstand nog in volle gang was, verklaarde de clubleiding dat haar spelers gewoon verder trainden en op ieder moment de competitie konden hervatten; een openlijke steunbetuiging aan president Moebarak. Al-Ahly communiceerde in de weken van de revolte niet.

‘Dat zijn politieke signalen die zeker meetelden op het plein’, zegt James Dorsey. ‘Egypte telt tachtig miljoen mensen. Al-Ahly heeft vijftig miljoen supporters. Als zo’n club zich achter de opstand schaart, wat ze heeft gedaan door niet op te roepen om weg te blijven van het Tahrir-plein, dan betekent dat veel. Natuurlijk zou het in Egypte ook revolutie zijn geweest zonder het voetbal. Maar zou die het hebben volgehouden? Een betoging van een paar uur is één ding. Maar wordt het een proces van dagen, dan moeten daar mensen rondlopen die de boel kunnen sturen en organiseren. Niemand had dat gekund zoals de ultra’s van Al-Ahly. Hun ervaring met straatprotest was onbetaalbaar.’

Men noemt ze de gesel van de Egyptische politie, de harde kern van Al-Ahly. Er zijn hevige veldslagen geweest met de fans van Zamalek, zodat de laatste jaren de politie tijdens de traditionale derby een cordon rond het stadion legt om te voorkomen dat de supportersclans elkaar ontmoeten. Per decreet is vastgelegd dat die wedstrijden plaatsvinden op neutraal terrein met buitenlandse scheidsrechters.

De haat tussen de fans van Zamalek en die van Al-Ahly gaat diep, maar het opvallende was dat er toch een flinke vertegenwoordiging van Zamalek-fans op het Tahrir-plein aanwezig was. Tegen dat monsterverbond kon Moebarak niet op. Er blijkt ook best een sociologische basis te bestaan voor de woede van de voetbalfans. ‘De gemiddelde supporter van Al-Ahly is een man die in een eenkamerflat woont met zijn vrouw, zijn schoonmoeder en vijf kinderen. Hij verdient het minimumloon en zijn leven is klote. Het enige wat hij heeft om naar uit te kijken is dat hij op vrijdag naar het stadion kan om Al-Ahly te zien spelen’, zei ene Assad, aangekondigd als een voorman van de ultra’s Ahlawy, op het Tahrir-plein. De weinige dagen dat het kalm was op het grote plein in Caïro organiseerden de ultra’s er voetbalpartijtjes. Truien op de grond als doelpalen.

De Buitenlandse collega’s van de Egyptische president erkennen evenzeer de kracht van de supportersclans en nemen het zekere voor het onzekere. Moeammar Kadafi heeft de Libische voetbalcompetitie opgeschort, Abdelaziz Bouteflika volgde zijn voorbeeld in Algerije. Ook Mahmoud Ahmadinejad laste vorige week schoorvoetend een voetbalstop in, zeer tegen zijn zin. ‘De Iraanse president probeert al een tijd om zijn aanzien op te vijzelen via de voetbalfederatie’, zegt James Dorsey. ‘Zonder succes, je hoort in de stadions nog steeds spreekkoren tegen het regime. Ahmadinejad schrok van het zogeheten groene protest dat in 2009 uitbrak na de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Zuid-Korea. Hij beseft dat als hij het hart van zijn volk ergens kan heroveren, dat het dan op het voetbalterrein is. De competitieschorsing komt hem slecht uit, maar hij weet dat het alternatief nog gevaarlijker is. De vrees dat voetbalwedstrijden uitgroeien tot manifestaties tegen de heersende macht is zeer gegrond.’

Ook in Tunesië wordt er voorlopig niet gevoetbald. Supporters van Club Africain en Espérance Tunis speelden er een rol bij het ten val brengen van president Ben Ali. Vooralsnog durft men het niet aan om de fans weer in groten getale naar het stadion te laten gaan. Een deel van de verklaring is dat men vreest tribale tegenstellingen aan te wakkeren, in elk Arabisch land het ultieme doemscenario.

In december hielden in Jordanië de fans van Wehdat en Faisali een straatgevecht waarbij 250 gewonden vielen. Wehdat is een etnisch-Palestijnse club, Faisali heeft een bedoeïenen-achtergrond. De twee teams staan symbool voor de stammentegenstellingen in Jordanië. Als het in dit klimaat tot rellen komt met supporters van een andere etnische origine, dan is burgeroorlog niet ver weg. In Algerije vreest men dat wedstrijden van enkele Oost-Algerijnse clubs, die een duidelijk Berber-stempel dragen, ontaarden in een stammentwist. Er is voor ieder Arabisch land wel een reden te vinden waarom er nu beter even niet gevoetbald wordt.

En zo is het!

2 Reacties op “De bal is boos

  1. Waarom een artikel van De Groene Amsterdammer direct overnemen zonder bronvermelding?

    • De bron was van een andere site ( lunaticnews.nl) en bovendien is het artikel gebaseerd op een artikel van James Dorsey. Totaal gemist dat het artikel in De Groene Amsterdammer stond. Snap wel dat Lunaticnews de bron niet vermeld.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s